Remedial Teaching Meichenbaum

Meichenbaum

De ‘Beren-aanpak’ voor kinderen met aandachts- en werkhoudingsproblemen.

Een cognitieve zelfinstructiemethode, waarin verbale begeleiding en visuele ondersteuning als ondersteuning bij de werkhouding aangeboden wordt. Deze methode is ontwikkeld door Kaat Timmerman (pedagogische wetenschappen, K.U. Leuven).

Inleiding

Aan de basis van alles ligt concentratie. Dat is de noodzakelijke voorwaarde voor een goede werkhouding.

We onderscheiden hierbij twee aparte groepen:

  • concentratiemoeilijkheden (t.g.v. tijdelijke andere problemen)
  • concentratiestoornissen (t.g.v. een organisch letsel)

Daarnaast onderscheiden we drie vormen van aandacht : gerichte, volgehouden en verdeelde aandacht. Ook het impulsief gedrag (doen zonder denken) speelt een rol in de begeleiding van het kind. Het weinig analytisch werken is een aspect waarbij tijdens de begeleiding
zeer veel aandacht aan wordt besteed.

Veel kinderen hebben moeite om een taak zelfstandig aan te pakken en te voltooien. Vaak heeft dat met onzekerheid te maken of met een drang naar bevestiging. Het werktempo is te traag of te snel. Kinderen met een zwakke werkhouding hebben vaak een onregelmatig werkpatroon. Die kinderen weten zelden hoe ze zichzelf kunnen evalueren of bijsturen, ze hebben weinig of geen zelfcontrole.

Begeleiding

Kinderen met werkhoudingsproblemen kunnen begeleid worden via de zelfinstructiemethode van Meichenbaum, de methode met de ‘4 beertjes’. Een cognitieve methode, waarbij het kind leert bewust zijn handelingen te sturen.

Om tot een oplossing van een probleem te komen onderscheiden we vier fasen. Deze fasen worden geverbaliseerd om het kind een kapstok te geven:

– “Wat moet ik doen?”
– “Hoe ga ik dat doen?”
– “Ik doe mijn werk.”
– “Ik kijk na.”

Met behulp van tekeningen (van de Beertjes) visualiseer je deze fasen.

Voorbereidingsfase
Deze fase omvat vier aspecten van een algemene werkhouding die noodzakelijk zijn om een geschikt klimaat te bekomen.
* algemene kijk- en luisterhouding
* nauwkeurigheid
* stopgedrag
* papegaaien

Fase 1: “Wat moet ik doen?”
Het kind hoort of leest de opdracht. Een belangrijke fase omdat elk detail, elk woord of cijfer zijn waarde heeft voor de uiteindelijke oplossing. Een kleine onnauwkeurigheid bij het lezen, even verstrooid bij het luisteren, kan de taak in de verkeerde richting sturen. Het kan veel energie besparen als je bij elke opdracht nagaat of het kind wel weet wat het moet doen.

Fase 2: “Hoe ga ik het doen?”
In deze fase ga je nog niet aan de slag maar sta je stil bij de oplossingsmethoden. Als leerkracht, ouder of begeleider kan je dit denkproces richten of bijsturen door het kind hardop zijn werkplan te laten formuleren. Op het vlak van de schoolse kennis is dit de fase waarin het kind beroep doet op spellingregels, rekenprincipes of andere ‘vaste werkplannen’. Zo leer je het kind hoe het verworven leerstof kan oproepen en toepassen.

Fase 3: “Ik doe mijn werk.”
Met een logisch gestructureerd werkplan in zijn achterhoofd, kan het kind dit nu stap voor stap gaan uitvoeren. Na een intense begeleiding in de twee vorige fasen, is nu het moment gekomen waarop het kind zelfstandig moet leren werken. Als ouder, leerkracht of begeleider ben je gerust dat het kind weet ‘wat’ en ‘hoe’ en kan je eerder op een afstand een oogje in ’t zeil houden.

Fase 4: “Ik kijk mijn werk na : wat vind ik ervan?”
De evaluatiefase! Vaak is er de gewoonte het werk te ‘laten’ evalueren door de  leerkracht en niet zozeer om het zelf na te kijken. Beertje 4 heeft eigenlijk een dubbele functie: enerzijds controleert hij, aan de hand van de vraagstelling en het werkplan, of de oplossing correct is. Anderzijds is dit ook de beer die gedurende de hele taakuitvoering het kind leidt en stuurt als een ‘monitor’.

In het boek ‘Kinderen met aandachts- en werkhoudingsproblemen’ van Kaat Timmerman vind je heel wat meer informatie en verduidelijkende voorbeelden van situaties bij het werken met de methode Meichenbaum.